dinsdag 24 maart 2009

# 32: Dagjes dames.

Voordat hij instapte ging het gesprek van de twee vrouwen - pittig kort gekapt en vast en zeker terugkomend van 'een dagje uit'; het waren dagjes dames - over de Postbank en de ING en hoe dat allemaal moest straks.

Het was de stoptrein van Amsterdam naar Bussum of een ander stadje dat begon met een 'B', ik ben slecht met namen. Als ik iemand voor het eerst ontmoet moet ik mij om de één of andere reden zo intens concentreren op het zeggen van mijn eigen naam, dat het erbij inschiet die van de ander te onthouden. Hierdoor kom ik nogal eens in sociaal ongemakkelijke situaties terecht, waarbij ik diegene waarvan ik me de naam niet kan herinneren op slinkse wijze probeer te manipuleren om mij zijn naam te vertellen, zodat ik daarna met een opgelucht hart kan zeggen: "ja, Joop, het is me wat!" of "Goh Kiki, zo had ik het nog niet bekeken."

Ik probeerde ondertussen in het raam te zien of mijn haar nog goed zat. Sinds ik me een werkelijk 'kapsel' aan heb laten meten heb ik er een dagtaak aan om me ervan te verzekeren dat het nog goed, recht en niet pluizig zit. Het doet me terugverlangen naar een tijd waarin ik haar had dat er gewoon maar voor de vorm bij hing, zonder enige functie. Zo onbekommerd als ik toen was, zo spastisch ben ik nu als het op mijn haar aankomt.

Er stapte een jongen de trein in met een rugzak zo groot als een kleine koelkast.
Hij had er een opgerolde tent bovenop gebonden. Hij leek nogal gebukt te gaan onder het gewicht van zijn rugzak, en dan had hij ook nog eens twee kolossale honden bij zich die braaf achter hem aansjokten alvorens lekker uitgebreid in het gangpad te gaan liggen. De jongen en zijn twee honden brachten een muffige lucht met zich mee, oude kaas vermengd met de geur van een tweedehands legerjas. Hij had pluizig haar in een non-kleur, dat van mij was duidelijk modieuzer. Hij plofte neer op de klapstoel tegenover mij.
"Do you know what time we will be in B... (plaatsnaam onbekend)?" vroeg hij aan de twee vrouwen, die hem al die tijd stilletjes en met vrolijke interesse hadden geobserveerd. Hij had een Duits accent.
Eerst deden ze een schatting naar de aankomsttijd, en daarop vroeg de meest spontane van de twee: "where are you from?"
Duitsland, antwoordde de jongen.
"Ich spreche ein bisschen Deutsch", verkondigde zij toen trots.

De jongen was dakloos. Hij was naar Spanje geweest en ging nu op bezoek bij een vriend, als die tenminste thuis was. De twee luisterden ademloos. Wat een leven moest dat zijn, als je 's ochtends niet wist waar je 's avonds zou belanden.
En nu met die crisis was het zeker nog moeilijker om een huis en een baan te vinden. De jongen haalde zijn schouders op. Hij had altijd nog zijn tent.

Daarop staakte het gesprek, en ik moest uitstappen. Op het perron waaide het.
"Dat wordt niks met dat haar", dacht ik, nog net niet zuchtend.

woensdag 11 maart 2009

# 31: Prikkelvis.

Als ik me niet vergis was vandaag de eerste dag die deed denken aan de lente. Het is een barre winter geweest, die maar niet op leek te houden. Waarschijnlijk is dat ieder jaar zo, maar dat vergeet ik voor het gemak zodra de eerste krokussen opdoemen.
De kou en de centrale verwarming zijn dan in één keer ver weg.

Ik zat, zoals het een walgelijke zonaanbidder betaamt, met mijn bek in de zon en bestelde koffie. Bij koffie hoort een krant. Toen ik terugkwam met mijn Volkskrant en de PS Mode (er lag niks anders) zat er een blond meisje van een jaar of zes op mijn stoel. Ze droeg een kek lila brilletje. Ze had in de luttele seconden dat ik weg was geweest een hele dierentuin op tafel uitgestald. Kleine, plastic beestjes, een enkele dinosaurus en twee verdwaalde auto's.

Ze zat geconcentreerd in zichzelf te mompelen terwijl ze de beesten rangschikte. Op kleur, op soort of alfabetisch? Geen idee.
"Mag ik hier zitten?" vroeg ik, belachelijk eigenlijk, want ik zat daar al.
"Dat wil ik niet", zei ze. Tegelijkertijd haalde ze haar schouders op. Alsof ze eigenlijk twijfelde, maar haar natuurlijke respons meestal "nee" was, dus waarom nu niet.
"Dan ga ik aan de overkant zitten", zei ik resoluut.
Ik ging me aan de overkant van de tafel overdreven zitten concentreren op mijn krant.

En ziedaar, haar jongere broertje verscheen, hoogstwaarschijnlijk de eigenaar van de twee sneu op hun kant liggende auto's. Het meisje zette meteen haar klauwen uit.
"Ik wil alleen met deze!" riep ze.
Het jongetje, het gemoedelijke type, klom naast haar op de stoel en schoof haar een stukje opzij. "We kunnen best samen op de stoel". Hij glimlachte naar mij.
Ik glimlachte terug. Hij nam het als een uitnodiging om me meer te vertellen over de plastic beestjes.
"Dit is een nijlpaard." Ik knikte.
"En dit dan?"
"Da's een apie." Zoveel was duidelijk.
Er bestond verwarring over de kreeft. Het jongetje zei: "dat is een kreeft" maar het meisje vond het een garnaal, en daar bleef ze bij.
Er zat ook een geel, bobbelig geval bij waarvan ik de naam niet wist. Misschien was het een fantasiebeest.
"Da's een prikkelvis!" riep ze ongeduldig. Nog nooit van gehoord.
Het meisje keek nog eens naar de kreeft en bedacht zich: "het is een garnaalvis."

Het jongetje had nu meer plek opgeëist dan de afspraak was en het meisje zette een keel op. Toen dat niet het gewenste effect had stortte ze zich dramatisch ter aarde om daar nog een poosje rond te krioelen.
Dat zag ik maar als mijn teken om weg te gaan.
Daar kwam de moeder al aan. Ze zag haar dochter op de grond en haar zoon aan tafel en toen pas mij.
"Je vind het toch niet erg?"
Ik schudde mijn hoofd van 'nee'.
Ik hield er immers een stukkie aan over.

dinsdag 10 maart 2009

# 30: Elektrisch poetsen.

Ik raak snel afgeleid. Dat zorgt sinds mijn basisschool tijd voor problemen. Toen kostte het me al oneindig veel moeite om me te concentreren op één ding, met name als dat ding heel erg saai en stom was (breuken, procenten, staartdelingen).
Omdat ik op een Montessorischool zat konden ze me feitelijk niet dwingen om iets te doen wat ik niet wilde doen, dat heeft te maken met de structuur van het onderwijs, ontwikkeld door een zekere Maria Montessori. Het door haar bedachte motto "leer mij het zelf te doen" hing ingelijst boven het bureau van de juf.

Dat niet-dwingende had in ieder geval met de structuur te maken van het onderwijs op specifiek mijn basisschooltje in Almere-Haven, naast een gigantisch grasveld waar later een soort gekke witte bungalows op zijn gebouwd, lelijk, met allemaal dezelfde maat voortuin.
Enfin, mijn juf schreef elke week in mijn boekje met taken dat ik dagelijks extra veel tijd moest besteden aan juist die narigheid die ik stelselmatig vermeed. Op mysterieuze wijze wist ik me er dan toch onderuit te wurmen, en zo komt het dat ik nog geen staartdeling kan maken, al word ik onder schot gehouden.

Tegenwoordig is het zo dat ik gewoon moeite heb om me te concentreren op wat dan ook, al is het ongekend leuk. In gesprekken met mensen dwalen mijn ogen continu af, maar naar wat eigenlijk? Voorbij komende fietsers, een hondje dat tegen een gloednieuwe scooter piest, flarden van gesprekken, "dat zei ik ook, maar het bleek toch schimmel te zijn"... en daar tussendoor komen ook nog de gedachten waarvan het me niet lukt ze uit te schakelen. Wanneer wordt het lente? Ik lust wel een hotdog. Als mijn tandenborstel in een - let wel: lege - prullenbak is gevallen, moet ik dan een nieuwe kopen? Deze, roze-en-wit gekleurd, heb ik al een poos.

Elektrisch poetsen schijnt het nu te zijn, maar om een of andere reden heb ik me er nooit toe kunnen zetten om er eentje te kopen. Ik doe zelden een investering, het lukt mij niet in lange termijnen te denken. Als iets op dat moment meer geld kost dan ik er eigenlijk voor over heb, koop ik het niet. Daarom heb ik nu een waterkoker die om de zoveel tijd uit zichzelf aan gaat, en een kapotte fiets.



Het leven lekker moeilijk maken voor jezelf, dat is een kunst.