Bang ben ik er niet voor. Wel voor pijn en ziekte, of lichamelijke verminking want boven alles ben ik ijdel.
Het eeuwige leven hoeft voor mij niet. Op een gegeven moment ben ik er wel klaar mee.
Niet eens zo heel lang geleden zag ik mijn eerste dode. Het was de moeder van mijn oma, een klein Indisch vrouwtje die wij altijd Oma An noemden. Oma An lag opgebaard in een kist met zijden voering. Haar handen lagen plechtig over haar borst gevouwen. Haar lippen waren een beetje paars van kleur. Ze droeg een oude dames jurk.
Mijn zus wilde het niet zien en maakte meteen rechtsomkeert, richting de koffie en cake. Bij mij won de nieuwsgierigheid het van de angst. Ik boog me voorzichtig over de kist, bijna alsof ik bang was dat ik haar anders wakker zou maken.
Maar er gebeurde niets, want Oma An was hier niet meer. Dit was iemands lijf, niets dat bewaard moest blijven.
'Dit is dus de dood', dacht ik.
Mijn oma maakte ondertussen de ene foto na de andere.
Ik vroeg me af wat ze met die foto's zou doen. Misschien in een plakboek plakken om er vervolgens nooit meer in te kijken. Niet op de schoorsteenmantel zetten, in ieder geval. Foto's maak je om een moment vast te houden, maar dit moment was niet van voorbijgaande aard. Oma An zou voorlopig nog wel even dood blijven.

Leven zonder dood, daar is geen ruk aan. Niemand zou meer uit bed te branden zijn.
"Morgen nog een dag", maar misschien dus niet. Dood is de stok achter de deur.
