Voordat hij instapte ging het gesprek van de twee vrouwen - pittig kort gekapt en vast en zeker terugkomend van 'een dagje uit'; het waren dagjes dames - over de Postbank en de ING en hoe dat allemaal moest straks.
Het was de stoptrein van Amsterdam naar Bussum of een ander stadje dat begon met een 'B', ik ben slecht met namen. Als ik iemand voor het eerst ontmoet moet ik mij om de één of andere reden zo intens concentreren op het zeggen van mijn eigen naam, dat het erbij inschiet die van de ander te onthouden. Hierdoor kom ik nogal eens in sociaal ongemakkelijke situaties terecht, waarbij ik diegene waarvan ik me de naam niet kan herinneren op slinkse wijze probeer te manipuleren om mij zijn naam te vertellen, zodat ik daarna met een opgelucht hart kan zeggen: "ja, Joop, het is me wat!" of "Goh Kiki, zo had ik het nog niet bekeken."
Ik probeerde ondertussen in het raam te zien of mijn haar nog goed zat. Sinds ik me een werkelijk 'kapsel' aan heb laten meten heb ik er een dagtaak aan om me ervan te verzekeren dat het nog goed, recht en niet pluizig zit. Het doet me terugverlangen naar een tijd waarin ik haar had dat er gewoon maar voor de vorm bij hing, zonder enige functie. Zo onbekommerd als ik toen was, zo spastisch ben ik nu als het op mijn haar aankomt.
Er stapte een jongen de trein in met een rugzak zo groot als een kleine koelkast.
Hij had er een opgerolde tent bovenop gebonden. Hij leek nogal gebukt te gaan onder het gewicht van zijn rugzak, en dan had hij ook nog eens twee kolossale honden bij zich die braaf achter hem aansjokten alvorens lekker uitgebreid in het gangpad te gaan liggen. De jongen en zijn twee honden brachten een muffige lucht met zich mee, oude kaas vermengd met de geur van een tweedehands legerjas. Hij had pluizig haar in een non-kleur, dat van mij was duidelijk modieuzer. Hij plofte neer op de klapstoel tegenover mij.
"Do you know what time we will be in B... (plaatsnaam onbekend)?" vroeg hij aan de twee vrouwen, die hem al die tijd stilletjes en met vrolijke interesse hadden geobserveerd. Hij had een Duits accent.
Eerst deden ze een schatting naar de aankomsttijd, en daarop vroeg de meest spontane van de twee: "where are you from?"
Duitsland, antwoordde de jongen.
"Ich spreche ein bisschen Deutsch", verkondigde zij toen trots.
De jongen was dakloos. Hij was naar Spanje geweest en ging nu op bezoek bij een vriend, als die tenminste thuis was. De twee luisterden ademloos. Wat een leven moest dat zijn, als je 's ochtends niet wist waar je 's avonds zou belanden.
En nu met die crisis was het zeker nog moeilijker om een huis en een baan te vinden. De jongen haalde zijn schouders op. Hij had altijd nog zijn tent.
Daarop staakte het gesprek, en ik moest uitstappen. Op het perron waaide het.
"Dat wordt niks met dat haar", dacht ik, nog net niet zuchtend.
dinsdag 24 maart 2009
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)

0 reacties:
Een reactie plaatsen