donderdag 16 juli 2009

# 38: The only true currency in this bankrupt world is what you share with someone else when you're uncool.















vrijdag 10 juli 2009

# 37: Vakantie.

We hadden een grijze Opel Kadett. De bestemming was Zuid-Frankrijk. We namen mee: stapels Donald Ducks, Penny's (mijn zus was een paardenmeisje) en stripboeken, een koelbox vol met boterhammen en limonade, een thermoskan koffie, een wegenkaart en muziekbandjes.
Wij hielden van Michael Jackson, en van Bert en Ernie. Ook van sprookjes, voorgelezen door een man met zalvende stem, en van Kinderen voor Kinderen. Mijn vader hield van Jim Reeves (hierover later meer). Mijn moeder hield van alles behalve Jim Reeves.

Mijn zus was vijf jaar ouder. Dat simpele feit vond ik genadeloos oneerlijk. Het betekende dat ik nooit ouder zou zijn dan mijn zus, hoeveel spinazie ik ook at.

We vertrokken vroeg in de ochtend, en zouden pas laat aankomen.
De dagen daarvoor was mijn moeder al woest aan het inpakken geweest. Vakantie betekende: voorbereiding. Wij moesten zonnebrand mee, strandhanddoeken, schone onderbroeken, badpakken, emmertjes, schepjes, vormpjes, zeefjes, puzzels. Alles om de verveling straks tegen te gaan. Mijn moeder pakte stapels boeken in, die vrijwel allemaal ongelezen mee terug zouden reizen.
Mijn vader geloofde noch in voorbereiding, noch in vervelen. 'Niks doen' was een edele kunst, die hij gedurende de vakantie vol overtuiging beoefende.

Voor vertrek moest er geplast worden. Als je niet hoefde te plassen, deed je maar alsof of kneep je net zo hard tot er toch wat druppels uitkwamen. Onderweg werd er zo min mogelijk gestopt.

Mijn zus en ik installeerden ons op de achterbank, met kussens en dekens. Ik had een week ervoor het Donald Duck vakantieboek gekregen, waar je lekker in kon lezen en krassen en schrijven. In die week had ik, vervuld van ongeduldige voorpret, alle rebussen al opgelost. Maar het gaf niet. Ik zou op de hoek van onze straat toch al in slaap vallen. Om enkele uren later te ontwaken met de vraag: 'zijn we er al bijna?'
Nee, we waren er nog lang niet. We stonden in de file. We hadden al twee afslagen gemist. Het was bloedheet in de auto, want we hadden slechts open ramen en geen airconditioning. Het was zo heet dat mijn zus en ik al onze kleren uittrokken en met onze blote billen aan de leren achterbank bleven plakken.



Mijn moeder werd met de minuut nerveuzer. Had ze het gas wel uitgedraaid?
"Laat de hele teringboel maar ontploffen", bromde mijn vader vanachter het stuur.

En Bert en Ernie zongen:

Maak er wat van
maak er wat van
als je ontevreden bent nou doe er dan wat an
Maak er wat van
maak er wat van
moet je nou 'es kijken wat je allemaal niet kan

maandag 29 juni 2009

# 36: Afgerekend.

Een tweede fragment uit "Zo zit ik in mekaar".

dinsdag 16 juni 2009

# 35: Zo zit ik in mekaar.

Hieronder een fragment uit mijn korte film "Zo zit ik in mekaar" met in de hoofdrol mijn vader, Errol R. Cordie.

donderdag 30 april 2009

# 34: ... En nu?

donderdag 23 april 2009

# 33: ...

Dag, Martin Bril.

Held en grote inspiratiebron.

dinsdag 24 maart 2009

# 32: Dagjes dames.

Voordat hij instapte ging het gesprek van de twee vrouwen - pittig kort gekapt en vast en zeker terugkomend van 'een dagje uit'; het waren dagjes dames - over de Postbank en de ING en hoe dat allemaal moest straks.

Het was de stoptrein van Amsterdam naar Bussum of een ander stadje dat begon met een 'B', ik ben slecht met namen. Als ik iemand voor het eerst ontmoet moet ik mij om de één of andere reden zo intens concentreren op het zeggen van mijn eigen naam, dat het erbij inschiet die van de ander te onthouden. Hierdoor kom ik nogal eens in sociaal ongemakkelijke situaties terecht, waarbij ik diegene waarvan ik me de naam niet kan herinneren op slinkse wijze probeer te manipuleren om mij zijn naam te vertellen, zodat ik daarna met een opgelucht hart kan zeggen: "ja, Joop, het is me wat!" of "Goh Kiki, zo had ik het nog niet bekeken."

Ik probeerde ondertussen in het raam te zien of mijn haar nog goed zat. Sinds ik me een werkelijk 'kapsel' aan heb laten meten heb ik er een dagtaak aan om me ervan te verzekeren dat het nog goed, recht en niet pluizig zit. Het doet me terugverlangen naar een tijd waarin ik haar had dat er gewoon maar voor de vorm bij hing, zonder enige functie. Zo onbekommerd als ik toen was, zo spastisch ben ik nu als het op mijn haar aankomt.

Er stapte een jongen de trein in met een rugzak zo groot als een kleine koelkast.
Hij had er een opgerolde tent bovenop gebonden. Hij leek nogal gebukt te gaan onder het gewicht van zijn rugzak, en dan had hij ook nog eens twee kolossale honden bij zich die braaf achter hem aansjokten alvorens lekker uitgebreid in het gangpad te gaan liggen. De jongen en zijn twee honden brachten een muffige lucht met zich mee, oude kaas vermengd met de geur van een tweedehands legerjas. Hij had pluizig haar in een non-kleur, dat van mij was duidelijk modieuzer. Hij plofte neer op de klapstoel tegenover mij.
"Do you know what time we will be in B... (plaatsnaam onbekend)?" vroeg hij aan de twee vrouwen, die hem al die tijd stilletjes en met vrolijke interesse hadden geobserveerd. Hij had een Duits accent.
Eerst deden ze een schatting naar de aankomsttijd, en daarop vroeg de meest spontane van de twee: "where are you from?"
Duitsland, antwoordde de jongen.
"Ich spreche ein bisschen Deutsch", verkondigde zij toen trots.

De jongen was dakloos. Hij was naar Spanje geweest en ging nu op bezoek bij een vriend, als die tenminste thuis was. De twee luisterden ademloos. Wat een leven moest dat zijn, als je 's ochtends niet wist waar je 's avonds zou belanden.
En nu met die crisis was het zeker nog moeilijker om een huis en een baan te vinden. De jongen haalde zijn schouders op. Hij had altijd nog zijn tent.

Daarop staakte het gesprek, en ik moest uitstappen. Op het perron waaide het.
"Dat wordt niks met dat haar", dacht ik, nog net niet zuchtend.

woensdag 11 maart 2009

# 31: Prikkelvis.

Als ik me niet vergis was vandaag de eerste dag die deed denken aan de lente. Het is een barre winter geweest, die maar niet op leek te houden. Waarschijnlijk is dat ieder jaar zo, maar dat vergeet ik voor het gemak zodra de eerste krokussen opdoemen.
De kou en de centrale verwarming zijn dan in één keer ver weg.

Ik zat, zoals het een walgelijke zonaanbidder betaamt, met mijn bek in de zon en bestelde koffie. Bij koffie hoort een krant. Toen ik terugkwam met mijn Volkskrant en de PS Mode (er lag niks anders) zat er een blond meisje van een jaar of zes op mijn stoel. Ze droeg een kek lila brilletje. Ze had in de luttele seconden dat ik weg was geweest een hele dierentuin op tafel uitgestald. Kleine, plastic beestjes, een enkele dinosaurus en twee verdwaalde auto's.

Ze zat geconcentreerd in zichzelf te mompelen terwijl ze de beesten rangschikte. Op kleur, op soort of alfabetisch? Geen idee.
"Mag ik hier zitten?" vroeg ik, belachelijk eigenlijk, want ik zat daar al.
"Dat wil ik niet", zei ze. Tegelijkertijd haalde ze haar schouders op. Alsof ze eigenlijk twijfelde, maar haar natuurlijke respons meestal "nee" was, dus waarom nu niet.
"Dan ga ik aan de overkant zitten", zei ik resoluut.
Ik ging me aan de overkant van de tafel overdreven zitten concentreren op mijn krant.

En ziedaar, haar jongere broertje verscheen, hoogstwaarschijnlijk de eigenaar van de twee sneu op hun kant liggende auto's. Het meisje zette meteen haar klauwen uit.
"Ik wil alleen met deze!" riep ze.
Het jongetje, het gemoedelijke type, klom naast haar op de stoel en schoof haar een stukje opzij. "We kunnen best samen op de stoel". Hij glimlachte naar mij.
Ik glimlachte terug. Hij nam het als een uitnodiging om me meer te vertellen over de plastic beestjes.
"Dit is een nijlpaard." Ik knikte.
"En dit dan?"
"Da's een apie." Zoveel was duidelijk.
Er bestond verwarring over de kreeft. Het jongetje zei: "dat is een kreeft" maar het meisje vond het een garnaal, en daar bleef ze bij.
Er zat ook een geel, bobbelig geval bij waarvan ik de naam niet wist. Misschien was het een fantasiebeest.
"Da's een prikkelvis!" riep ze ongeduldig. Nog nooit van gehoord.
Het meisje keek nog eens naar de kreeft en bedacht zich: "het is een garnaalvis."

Het jongetje had nu meer plek opgeëist dan de afspraak was en het meisje zette een keel op. Toen dat niet het gewenste effect had stortte ze zich dramatisch ter aarde om daar nog een poosje rond te krioelen.
Dat zag ik maar als mijn teken om weg te gaan.
Daar kwam de moeder al aan. Ze zag haar dochter op de grond en haar zoon aan tafel en toen pas mij.
"Je vind het toch niet erg?"
Ik schudde mijn hoofd van 'nee'.
Ik hield er immers een stukkie aan over.

dinsdag 10 maart 2009

# 30: Elektrisch poetsen.

Ik raak snel afgeleid. Dat zorgt sinds mijn basisschool tijd voor problemen. Toen kostte het me al oneindig veel moeite om me te concentreren op één ding, met name als dat ding heel erg saai en stom was (breuken, procenten, staartdelingen).
Omdat ik op een Montessorischool zat konden ze me feitelijk niet dwingen om iets te doen wat ik niet wilde doen, dat heeft te maken met de structuur van het onderwijs, ontwikkeld door een zekere Maria Montessori. Het door haar bedachte motto "leer mij het zelf te doen" hing ingelijst boven het bureau van de juf.

Dat niet-dwingende had in ieder geval met de structuur te maken van het onderwijs op specifiek mijn basisschooltje in Almere-Haven, naast een gigantisch grasveld waar later een soort gekke witte bungalows op zijn gebouwd, lelijk, met allemaal dezelfde maat voortuin.
Enfin, mijn juf schreef elke week in mijn boekje met taken dat ik dagelijks extra veel tijd moest besteden aan juist die narigheid die ik stelselmatig vermeed. Op mysterieuze wijze wist ik me er dan toch onderuit te wurmen, en zo komt het dat ik nog geen staartdeling kan maken, al word ik onder schot gehouden.

Tegenwoordig is het zo dat ik gewoon moeite heb om me te concentreren op wat dan ook, al is het ongekend leuk. In gesprekken met mensen dwalen mijn ogen continu af, maar naar wat eigenlijk? Voorbij komende fietsers, een hondje dat tegen een gloednieuwe scooter piest, flarden van gesprekken, "dat zei ik ook, maar het bleek toch schimmel te zijn"... en daar tussendoor komen ook nog de gedachten waarvan het me niet lukt ze uit te schakelen. Wanneer wordt het lente? Ik lust wel een hotdog. Als mijn tandenborstel in een - let wel: lege - prullenbak is gevallen, moet ik dan een nieuwe kopen? Deze, roze-en-wit gekleurd, heb ik al een poos.

Elektrisch poetsen schijnt het nu te zijn, maar om een of andere reden heb ik me er nooit toe kunnen zetten om er eentje te kopen. Ik doe zelden een investering, het lukt mij niet in lange termijnen te denken. Als iets op dat moment meer geld kost dan ik er eigenlijk voor over heb, koop ik het niet. Daarom heb ik nu een waterkoker die om de zoveel tijd uit zichzelf aan gaat, en een kapotte fiets.



Het leven lekker moeilijk maken voor jezelf, dat is een kunst.

vrijdag 20 februari 2009

# 29: Dood.

Ik heb nog weinig ervaring met de dood. Gelukkig maar. De dood is iets engs, iets naars, iets waar niemand op zit te wachten. Ik ben jong en mij overkomt vast nog van alles. Maar niet de dood, nee, niet die. Pas over een hele poos.
Bang ben ik er niet voor. Wel voor pijn en ziekte, of lichamelijke verminking want boven alles ben ik ijdel.
Het eeuwige leven hoeft voor mij niet. Op een gegeven moment ben ik er wel klaar mee.

Niet eens zo heel lang geleden zag ik mijn eerste dode. Het was de moeder van mijn oma, een klein Indisch vrouwtje die wij altijd Oma An noemden. Oma An lag opgebaard in een kist met zijden voering. Haar handen lagen plechtig over haar borst gevouwen. Haar lippen waren een beetje paars van kleur. Ze droeg een oude dames jurk.
Mijn zus wilde het niet zien en maakte meteen rechtsomkeert, richting de koffie en cake. Bij mij won de nieuwsgierigheid het van de angst. Ik boog me voorzichtig over de kist, bijna alsof ik bang was dat ik haar anders wakker zou maken.
Maar er gebeurde niets, want Oma An was hier niet meer. Dit was iemands lijf, niets dat bewaard moest blijven.
'Dit is dus de dood', dacht ik.

Mijn oma maakte ondertussen de ene foto na de andere.
Ik vroeg me af wat ze met die foto's zou doen. Misschien in een plakboek plakken om er vervolgens nooit meer in te kijken. Niet op de schoorsteenmantel zetten, in ieder geval. Foto's maak je om een moment vast te houden, maar dit moment was niet van voorbijgaande aard. Oma An zou voorlopig nog wel even dood blijven.



Leven zonder dood, daar is geen ruk aan. Niemand zou meer uit bed te branden zijn.
"Morgen nog een dag", maar misschien dus niet. Dood is de stok achter de deur.